Home / Nieuws / Boekrecensie: Met de rug naar de toekomst 036 - 533 15 00
 

VOO Nieuwsbrief

Altijd op de hoogte van nieuws, ledenbijeenkomsten en activiteiten? Abonneer u op onze nieuwsbrief.

Boekrecensie: Met de rug naar de toekomst

17 mei 2018
Auteur: Michiel Jongewaard
News

In Heer en meester schetst historicus Wim de Jong de ontwikkeling van het protestants-christelijk onderwijs in de afgelopen honderd jaar. Carel Verhoef, zelf historicus en oud-rector, mist een toekomstvisie op het onderwijsbestel.

De Jong stelt in zijn boek Heer en meester de centrale vraag: Hoe heeft het protestants-christelijk onderwijs de vrijheid van onderwijs vormgegeven en wie besliste daarover? Het optreden van de schoolbesturen, de kerken en de ouders komt daarbij uitvoerig en niet altijd in positieve zin aan de orde. Wat te zeggen van schoolbesturen die onderwijzers verboden om lid te worden van een vakbond of van de Partij van de Arbeid? Kerken waren soms een nuttig klankbord, maar werden ook vaak als bemoeial gezien. En wat is er terechtgekomen van de oude leuze van de gereformeerde voorman Abraham Kuyper: ‘De school aan de ouders’? In 1973 noemde Tweede Kamerlid Jan van Bennekom van de ARP dit al fictie: ‘De school is sinds 1845 gevormd door aristocraten’. En vanaf het einde van de twintigste eeuw is door het aantrekken van geschoolde bestuurders zelfs sprake van ‘de school van de professionele bestuurders’. Dus van wie en voor wie is de christelijke school eigenlijk? Ook De Jong geeft niet het verlossende antwoord.


Hier moet het zijn begonnen

Veel facetten van de schoolstrijd passeren in De Jongs boek de revue. Het volkspetitionnement ‘voor een School met den Bijbel’ dat op 3 augustus 1878 aan koning Willem III op paleis Het Loo werd aangeboden, krijgt een prominente plaats als het geboorte-uur van een beweging. Aanleiding was de invoering van een nieuwe Lager Onderwijswet waarin hogere eisen werden gesteld aan gebouwen, materialen en leerkrachten en waarbij gemeenten een rijksvergoeding kregen voor het openbaar onderwijs. Het succes van het petitionnement ligt in het samenbrengen van verschillende partijen, aldus De Jong. Maar dat succes was niet veel groter dan het samenbrengen van protestantse groepen. Koning Willem III kon moeilijk zijn handtekening weigeren onder een wet die door het parlement was goedgekeurd.

Van wie is de christelijke
school? De Jong geeft
niet het verlossende antwoord


Enkele belangrijke zaken blijven helaas onvermeld. Zo heeft het er alle schijn van dat de vrijheid van onderwijs met een misverstand is begonnen. In 1848 was het allerminst de bedoeling van Thorbecke om ouders het recht te geven op grond van hun geloofsovertuiging een school te stichten. In de geschriften van Thorbecke is geen plaats aan te wijzen waar hij ouders dat recht toekent. De liberalen wensten tegemoet te komen aan het particulier initiatief van een bevoegd onderwijzer om een school te beginnen. Zij zagen confessionele scholen als een bedreiging van de nationale eenheid.


Een gebed zonder eind

De Jong onderkent dat het moeilijk is om het religieuze uitgangspunt uit te bouwen tot een volwaardige invulling van onderwijs en opvoeding. Aan veel scholen is niet duidelijk te zien wat het specifiek christelijke van die school is. Er is geen christelijk pedagogisch concept opgesteld en evenmin is er een van het openbaar onderwijs te onderscheiden curriculum voor de verschillende vakken. Het enige verschil met het openbaar onderwijs is de dag- of weekopening, een christelijk lied, het gebed (dat op veel scholen is afgeschaft) en de bijbelvertelling. ‘De verlegenheid’, aldus De Jong, ‘zit in het specifiek christelijke’. Dit is precies het probleem waar het christelijk onderwijs al sinds zijn ontstaan mee worstelt. Al anderhalve eeuw is men bezig met de vraag: wat is christelijk onderwijs? Vijftig jaar na de oprichting van de Schoolraad voor het christelijk onderwijs kwam de raad in zijn jubileumboek in 1940 tot de aansporing ‘dat het eindelijk eens tijd werd dat het christelijk onderwijs een eigen karakter kreeg, los van alle humanistische beginselen’. Toen in de jaren zeventig van de vorige eeuw elke school een schoolwerkplan moest opstellen waarin grondslag en doelstellingen van de school naar de dagelijkse praktijk moesten worden ‘vertaald’, was Leiden in last. IJlings moest men op zoek naar het christelijke in onderwijs en vorming, in concrete lesdoelen, in de leerstof, de methodiek en de didactiek, in de sfeer en de omgang van allen die bij de school betrokken zijn. Die zoektocht blijkt een gebed zonder eind.


Zo moet het vraagstuk ‘wat is christelijk onderwijs’ worden opgelost

In 1993 is aan de Vrije Universiteit in Amsterdam zelfs een bijzondere leerstoel christelijk onderwijs ingesteld om de problematiek rond de identiteit van het christelijk onderwijs in kaart te brengen en mogelijk op te lossen. Dertien jaar later kwam de christelijke Hogeschool Ede met de bundel ‘Bijzonder onderwijs. Christelijk geloof in de dagelijkse praktijk van basis- en voortgezet onderwijs’. Ook hier wordt geprobeerd een antwoord te geven op de vraag: ‘Wat is eigenlijk christelijk onderwijs?’. Tot op heden komt men niet verder dan dat ‘de christelijke school gefundeerd is in christelijke waarden’. Daartoe rekent men: solidariteit, rechtvaardigheid, duurzaamheid, barmhartigheid, eerlijkheid, verdraagzaamheid en medemenselijkheid. Algemeen aanvaarde waarden, die in het onderwijs- en vormingspakket van elke openbare school eveneens centraal staan. Hiermee wordt feitelijk de onmogelijkheid van christelijk onderwijs aangetoond.


Maar verzuiling vergroot de segregatie in onze samenleving

De voorstanders van christelijk onderwijs zijn nog altijd bezig met de belangen van de eigen groep, in plaats van zich af te vragen: wat vraagt onze samenleving? Die vraagt een onderwijsbestel dat de cohesie en de integratie bevordert. Dat kan alleen via het ontmantelen van de verzuiling. Daartoe dient de vrijheid van onderwijs te worden ingeperkt door niet langer scholen op godsdienstige grondslag op te richten en te onderhouden en door het bijzonder onderwijs op godsdienstige grondslag en het openbaar onderwijs samen te voegen tot de gemengde school (een term die al in de negentiende eeuw werd gebruikt) voor alle gezindten. Zo biedt het boek van De Jong geen enkel perspectief op een onderwijsbestel dat is afgestemd op de eisen van onze samenleving. Het beoogt slechts te conserveren wat anderhalve eeuw onderwijsvrijheid ons heeft gebracht: een langs godsdienstige lijnen verzuild onderwijssysteem dat de segregatie in onze samenleving alleen maar vergroot. 

Carel Verhoef schreef onder anderen Inperking vrijheid van onderwijs. De maatschappelijke noodzaak tot herziening van artikel 23 van de grondwet, dat verscheen bij uitgeverij Aspekt.

Naar boven

Deel |