Home / Nieuws / Elk jaar een nieuwe noodklok 036 - 533 15 00
 

VOO Nieuwsbrief

Altijd op de hoogte van nieuws, ledenbijeenkomsten en activiteiten? Abonneer u op onze nieuwsbrief.

Elk jaar een nieuwe noodklok

3 juni 2017
Auteur: drs. Flora Breemer
News

De inspectie constateerde eerder dit jaar dat de verschillen tussen scholen te groot zijn. Dit mag niet voorkomen, maar onze reflex op deze bevindingen is verkeerd.

Het jaarverslag van de Inspectie van het Onderwijs, de ‘Staat van het Onderwijs’ doet wel vaker stof opwaaien. Ook dit jaar leidden de alarmerende conclusies uit het dikke boekwerk tot dreigende krantenkoppen. Waar vorig jaar het onderwijsverslag de start was van een maatschappelijk debat over kansenongelijkheid, gaat dit jaar de aandacht vooral uit naar schoolverschillen. Zo zijn de verschillen tussen scholen voor voortgezet onderwijs in Nederland groter dan in andere landen. Sterker nog, Nederland voert de weinig eervolle wereldranglijst schoolverschillen aan. Ook bij basisscholen met vergelijkbare leerlingen kunnen grote kwaliteitsverschillen optreden.


Worst

Het is de kerntaak van de inspectie: het meten van de onderwijskwaliteit. En op basis van de gegevens die inspecteurs tijdens deze meetmomenten verzamelen, concludeert de inspectie nu dat de kwaliteit tussen scholen verschilt, zelfs als de omstandigheden niet of nauwelijks verschillen. Het lijkt voor de hand liggend en dat is het ook. Scholen zijn geen worstenfabrieken die met dezelfde ingrediënten dezelfde worsten zouden moeten produceren. Scholen zijn levende gemeenschappen: er werken mensen, allemaal met hun eigen overtuigingen, talenten, passies, zwakke kanten en blinde vlekken.


Scholen moeten leren van elkaar

Waarom zijn we dan zo verbijsterd over die schoolverschillen? Enerzijds komt dat door de implicaties van deze verschillen die de inspectie schetst: kansen van kinderen gaan verloren en talent blijft onbenut. Dat is ernstig. Gelukkig zit een deel van de oplossing ook al in de boodschap: er zijn immers scholen die het wél goed doen. Scholen die er niet genoeg in slagen talenten van de leerlingen tot bloei te laten komen, kunnen dus te rade gaan bij vergelijkbare scholen waar dit wel goed lukt. De conclusies van de inspectie kunnen op die manier leiden tot meer uitwisseling tussen scholen, tot leraren die vragen aan elkaar stellen en van elkaar leren. In de praktijk komt dit maar weinig voor. Veelal worden er externen ingevlogen als er iets moet worden verbeterd. Maar van wie kun je beter leren dan van je collega op de naastgelegen school die het net iets anders aanpakt?


Twee niveaus verschil

Helaas is de duiding van het onderwijsverslag in de meeste media anders. “Het maakt echt uit naar welke school je je kind stuurt en niet zo’n beetje.” (Volkskrant); “Een goede school kan zo twee niveaus schelen” (Parool); “Schoolkeuze maakt écht uit” (NRC). Deze focus op schoolkeuze van ouders - in plaats van verbetercapaciteit van scholen - blijft hangen in het maatschappelijke debat. Natuurlijk wil je als ouder dat je kind naar een goede school gaat. De boodschap van de inspectie is daarom geen fijne boodschap voor ouders. Maar door het huidige debat lijkt het alsof de verantwoordelijkheid voor goed onderwijs door deze schoolverschillen nog meer bij ouders ligt: zij moeten de juiste school kiezen die het maximale uit hun kind haalt. Een verkeerde keus kan je immers zomaar twee niveaus kosten.


Hechte teams

Dat is natuurlijk zot: de keuze van ouders moet gebaseerd zijn op een school die bij ze past. Het moet geen zoektocht zijn naar de sigarenwinkel waar vaker een winnend lot wordt verkocht. Het is bovenal aan besturen en scholen om voor goed onderwijs te zorgen. En wanneer de inspectie constateert dat dat niet het geval is, dan moeten die besturen en scholen daar razendsnel iets aan doen. Wat ze moeten doen, geeft de inspectie ook al aan: professionalisering moet worden aangemoedigd en er zijn goede leraren nodig, in hechte teams. Goede scholen hebben leraren die weten wat hun leerlingen nodig hebben en schoolleiders en bestuurders die samenwerken vanuit een gedeelde visie en ambitie. Volg dat recept en succes is gegarandeerd.


Niets-aan-de-hand-kinderen

In haar eigen berichtgeving doet de inspectie ook iets opvallends. Een dubieuze nieuwe term wordt toegevoegd aan het onderwijsjargon: “Voor leerlingen en studenten maakt het dus uit naar welke school of opleiding ze gaan. Ook voor de niets-aan-de-hand-kinderen, de schijnbaar doodgewone studenten. Deze leerlingen moeten maar hopen dat ook hun talenten herkend worden. Dat ze uitgedaagd worden. En gestimuleerd worden, op welke school ze ook zitten.” Het beeld van de loterij wordt hier door de inspectie zelf ook gevoed. Je kunt je afvragen of niets-aan-de-hand-kinderen bestaan. Welke kinderen zijn dat dan? Kinderen die je vergeet mee terug te nemen van een excursie omdat ze niet genoeg opvallen? Kinderen die elk jaar dezelfde nietszeggende tekst op hun rapport krijgen? Die in een hoekje op de schoolfoto staan en waarvan je na een paar jaar al niet meer weet wie het waren? En behoefden deze kinderen tot voorheen geen goed onderwijs? Volgens goede leraren bestaan er helemaal geen doodgewone studenten of niets-aan-de-hand-kinderen in ons onderwijs, omdat alle kinderen uitgedaagd en gestimuleerd moeten worden.


Wat ouders moeten doen

Terug naar de ouders. Het enige dat zij zouden moeten doen bij een keuze voor een school, is nagaan of er op de school die bij ze past goede leraren zijn (kennen ze niets-aan-de-hand-kinderen?) en kijken of deze leraren een hecht team vormen dat van ambitieuze leiders ruimte krijgt voor professionalisering en uitwisseling (kijken ze wel eens bij een ander in de klas?). Of, als het moment van keuze al voorbij is, regelmatig nazien of er op de school van hun kinderen ruimte is voor verdere ontwikkeling van het team, liefst in samenwerking met collega’s.

Bij de VOO zijn we alvast benieuwd welke conclusies de inspectie volgend jaar trekt. En het jaar daarna. Elk jaar een nieuwe schadelijke trend ontdekken tussen de gegevens die onmogelijk in één schooljaar radicaal veranderd kunnen zijn: het is een kunst die maar weinig onderzoekers de inspectie na kunnen doen.

De belangrijkste conclusies uit het onderwijsverslag

Nederland voert een dubieuze ranglijst aan: we zijn koploper als het gaat om prestatieverschillen tussen scholen voor voortgezet onderwijs. Zelfs landen met vergelijkbare onderwijsstelsels hebben minder variatie in de uitstroom per school. Dit verschil ziet de inspectie ook in het basisonderwijs. De verschillen tussen scholen vallen zelfs op als rekening wordt gehouden met het effect van de leerlingpopulatie: scholen met vergelijkbare populaties die in sommige gevallen zelfs in dezelfde wijk staan, kunnen toch sterk verschillende scores op de centrale eindtoets hebben. De mate waarin een leerling kan floreren, is dus voor een groot deel afhankelijk van de school waar hij of zij op terecht is gekomen.

Onderwijskwaliteit verschilt

De inspectie constateert een groot verschil in onderwijskwaliteit. De kwaliteit van de lessen is hierbij de belangrijkste factor. Het gaat dan vooral om een taakgerichte werksfeer, actieve betrokkenheid van leerlingen en duidelijke uitleg. Goede en excellente scholen hebben daarnaast vaak sterke teams met veel aandacht voor professionalisering en verbetering en een sterke schoolleider.

Gelijke kansen

In 2016 werden twee keer zoveel schooladviezen naar boven bijgesteld dan in 2015. Toch neemt de kansenongelijkheid niet af, volgens het Onderwijsverslag: 'De kans op onderadvisering voor leerlingen met laagopgeleide ouders is weliswaar sterk gedaald, maar vooral leerlingen met hoogopgeleide ouders profiteren van verschuivingen in 2016’.

Minder dan één leerling per school

De verschuiving tussen speciaal en regulier onderwijs ten gevolge van passend onderwijs is klein: in 2016 zaten er 4.000 leerlingen minder in het speciaal onderwijs dan in 2014. Dat is minder dan één leerling per school. Dit geringe aantal komt niet overeen met de perceptie van leraren: zij ervaren een toename van gedrags- en leermoeilijkheden onder de leerlingen. Er is onder leraren dan ook grote behoefte aan verdere professionele ontwikkeling op dit gebied.

Thuiszitters

Grote zorgen zijn er ook nog steeds om thuiszitters: er zijn minder kinderen die niet op een school zijn ingeschreven, maar een groeiend aantal leerlingen staat wel ingeschreven en gaat toch niet naar school. Ook de periode dat deze leerlingen niet naar school gaan, wordt steeds langer. Daarnaast stijgt het aantal vrijstellingen van de leerplichtwet. De inspectie constateert dat het registreren van thuiszitters nog steeds onvoldoende gebeurt en dat de registraties vaak onduidelijk zijn.

Idealisten. U ook?

Bent u een idealist die wil kennismaken met de Vereniging Openbaar Onderwijs? Vraag dan het proeflidmaatschap aan voor een jaar, voor maar 15 euro. U abonneert zich dan op het magazine Onze School. Als welkomstgeschenk sturen wij u een mooi notitieboekje toe.

Neem een abonnement


Naar boven

Deel |