Home / Nieuws / Wat willen wij leren? Oefening in burgerschap 036 - 533 15 00
 

VOO Nieuwsbrief

Altijd op de hoogte van nieuws, ledenbijeenkomsten en activiteiten? Abonneer u op onze nieuwsbrief.

Wat willen wij leren? Oefening in burgerschap

12 juli 2019
Auteur:
News

 

Tekst | Leone de Voogd
Beeld | Niels Blekemolen

 

Burgerschapsvorming is een hot item en in zijn dagelijks werk bij SLO is Jeroen Bron hier ook volop mee bezig. Belangrijke vraag daarbij is hoe je de school als oefenplaats voor burgerschap kunt gebruiken. Bron promoveerde eind 2018 op zijn onderzoek naar een methode om leerlingen een stem te geven in het leerplan.  

Bron heeft zich bij SLO ontwikkeld tot specialist van onderwerpen die niet in een schoolvak zitten maar wel maatschappelijk relevant worden geacht, zoals duurzaamheid, mensenrechten, gezond gedrag, en uiteraard burgerschap. Bron: ‘Bij dit soort onderwerpen is het aan de school om er iets mee te doen, maar dan blijkt het heel moeilijk om dat echt gestalte te geven. De vraag aan ons is om concreet te maken wat je bij leerlingen wilt bewerkstelligen en hoe je leraren kunt stimuleren om dat op te pakken.’   

Leerlingparticipatie is een belangrijk aspect van de school als oefenplaats voor burgerschap. ‘Men denkt dan al snel aan leerlingenraden, maar daarbij gaat het om een hele beperkte selectie van leerlingen die een participatiemogelijkheid krijgt. Maar hoe creëer je nu die oefenplaats voor álle leerlingen? Waarin de leerling daadwerkelijk inbreng heeft, de informatie begrijpt die ter tafel komt en zichzelf durft te uiten. Dan moet je het laagdrempelig organiseren, zodat je niemand uitsluit.’ Vanuit zijn achtergrond als leerplanontwikkelaar kwam Bron zo al snel uit op het klasniveau en het toepassen van participatie op het leerplan.  

Voor zijn onderzoek ontwikkelde hij een leerplanonderhandelingsmethode voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs (VO); en op dit moment loopt een vervolgproject in het basisonderwijs.  Hierbij kiest de leraar een onderwerp waar hij of zij de leerlingen bij wil betrekken. In een eerste stap bepalen zij individueel wat ze al weten over het onderwerp en welke vragen ze hierover hebben. In groepjes wordt de voorkennis vervolgens samengebracht en onderhandelen de leerlingen over een selectie van vragen. Tot slot wordt met de gehele klas een besluit genomen over de te behandelen vragen, waarbij de docent kan aanvullen en prioriteren waar nodig.  

 

Recht op een stem  
Als leerlingen mogen meebeslissen over het leerplan, hebben ze dan voldoende inspraak in het onderwijs? ‘Het is onderzoek, dus je moet het onderwerp afbakenen, maar die stem van de leerling is natuurlijk breder. In dit geval richt het zich op de inhoud, maar ga er vooral ook andere dingen mee verkennen en wees je bewust waarom je dat doet. Er zijn ook wel allerlei methodieken die iets doen met vragen van leerlingen, maar soms meer uit gewoonte, waarbij niet meer gereflecteerd wordt op de principes die hierachter zitten.’  

Bron beschrijft verschillende argumenten om de leerling een stem te geven, waarbij het normatieve argument het vertrekpunt vormt voor zijn onderzoek. ‘Het feit dat kinderen het recht hebben om mee te praten over zaken die hen aangaan, waar zie je dat terug? Leraren zeggen vaak dat leerlingen in Nederland genoeg te vertellen hebben op school, maar dat is wat anders dan bewust en gestructureerd om input vragen.’ In andere landen, zoals Ierland en Schotland, wordt volgens Bron explicieter aandacht besteed aan ‘student voice’. Waar de ratificatie van het Kinderrechtenverdrag in deze landen tot aantoonbare aanpassingen in het onderwijsbeleid heeft geleid, ziet Bron hier in Nederland weinig van terug. ‘Het heeft heel beperkt aandacht in het onderwijs, zowel qua inhoud als wet- en regelgeving. Daar is ook wel kritiek op gekomen vanuit mensenrechtenhoek.’  

Leren communiceren en participeren  
Er is ook een onderwijskundig argument. De ‘school als oefenplaats’ impliceert dat leerlingen burgerschapskennis en -vaardigheden opdoen. Wat leren ze door Bron's methode? ‘De belangrijkste aspecten van burgerschap die hierin terugkomen, gaan over communiceren. Je moet met de ander in gesprek, je eigen mening uitspreken en soms verdedigen. Je moet samenwerken, onderhandelen en uiteindelijk een besluit nemen en je daar dan ook naar schikken.’ 

Heeft dit ook zo gewerkt? Bron interviewde de leraren, observeerde lessen en analyseerde werkbladen en vragenlijsten van leerlingen. ‘In de resultaten zie je terug dat leerlingen die burgerschapsvaardigheden hebben toegepast en zelf ook herkennen. Sowieso is het mooi om te zien dat de methode toch wel heeft opgeleverd wat we hadden gehoopt. Je ziet dat leerlingen echt inbreng hebben gehad in het leerplan.’ Toch was er ook een verrassende tegenvaller. Op een van de scholen was de stem van de leerling ‘we willen hier niet over spreken’. De docent had hier het thema seksuele diversiteit gekozen. ‘Of dat met veiligheid in de klas te maken heeft, of met onervarenheid van de docent, dat is koffiedikkijken, maar het kan dus ook misgaan.’ Bron adviseert dan ook te starten met onderwerpen die dicht bij de leerling liggen en niet te controversieel zijn.  

Leerlingen moeten immers wel bepaalde associaties hebben bij een onderwerp. ‘Maar leerlingen weten veel meer dan zijzelf en de leraar hadden voorzien. Soms tot het punt dat de leraar dacht ‘volgens mij hebben ze die lessen al gehad’’. Bron toont de soms verrassend rijke mindmaps die leerlingen gemaakt hebben. Werkt dit nu voor alle kinderen? Of is bijvoorbeeld een rijke thuisomgeving of een bepaald cognitief niveau nodig om met eigen leervragen te kunnen komen? ‘Je ziet wel verschil tussen bijvoorbeeld vmbo en havo/vwo in de mate van voorkennis en het niveau van abstractie van de vragen. Maar ook op het vmbo konden de leerlingen goed met het model werken. Het is een manier om participatie in het vmbo zichtbaar en voor iedereen toegankelijk te maken, omdat je juist dicht bij de belevingswereld blijft.’ 

Ruimte benutten is een uitdaging 
Ondanks de positieve resultaten, vond een op de drie leerlingen de methode moeilijk en zou deze groep het liever niet herhalen. ‘Afwachten wat de leraar je vertelt is heel saai maar ook wel weer makkelijk. Zodra de rollen worden omgedraaid moet je ineens initiatief nemen en verantwoordelijkheid tonen. Dat vond een aantal ook wel pittig en sommige groepjes liepen daarin vast’, verklaart Bron, al geeft hij ook toe niet genoeg details te hebben over deze leerlingen. ‘Er zitten nog zoveel vragen achter: de processen en dynamiek in die groepjes is bijvoorbeeld nog een heel onderzoek. En de rol van de leraren is ook al een wereld op zich.’ 

Bron beschrijft een model waarbij het curriculum ontstaat op het snijvlak van de intenties van leraren en leerlingen. De leerling heeft interesses en ambities en brengt de eigen sociaal-culturele achtergrond en eerdere leerervaringen mee. De leraar baseert zich op de eigen professionele kennis en ervaring, externe eisen (zoals kerndoelen), en het schoolbeleid. ‘Bij burgerschap en andere meer vormende vakken, hebben met name scholen met een sterke levensbeschouwelijke of pedagogische identiteit daar zeker een mening over.’ Qua kennis en ervaring van de leraar, ziet hij dat zelfverzekerde leraren, die zich bewust zijn van het curriculum en daar flexibel mee om kunnen gaan, ook goed met deze methode uit de voeten kunnen. ‘Als je wat onzeker bent, houd je zoveel mogelijk vast aan wat je denkt dat moet gebeuren. Het vraagt een bepaalde moed om los te laten en de onvoorspelbaarheid toe te laten. Als leerlingen echt met hele originele vragen komen, hoe ga je dan antwoord geven en welke materialen ga je dan inzetten? Dan kun je niet simpelweg terugvallen op methoden.’ 

Volgens Bron zou er tijdens de opleiding ook meer aandacht moeten zijn voor de professionaliteit van de leraar. Deze moet goed zicht hebben op de noodzakelijke inhouden en de ruimte die er is en daar verstandig mee om kunnen gaan. ‘De kerndoelen zijn heel open en mogen door scholen zelf worden ingevuld. Die verantwoordelijkheid is echter overgenomen door de methodes en druk vanuit de bovenbouw (examenprogramma's). Dat is jammer, maar ook wel voorstelbaar, want het kost heel veel moeite en in Nederland hebben we vrij weinig ontwikkeltijd. In mijn onderzoek zeiden leraren ook wel dat het de klas veel tijd had gekost, maar in die tijd wordt ook geleerd. Als je vaardigheden belangrijk acht in het onderwijs, moet je daar ook tijd voor vrijmaken.’  

Sociaal proces als klein stukje burgerschap
Hoe verhoudt deze methode zich tot vormen van gepersonaliseerd leren, waar vaak ook de eigen leervragen centraal staan? ‘Er zit wel een raakvlak, maar zoals ik het hier heb uitgewerkt, is het heel duidelijk een sociaal proces en dat vind ik een groot verschil. Het is de stem van de individuele leerling, maar wel op zoek naar iets collectiefs, een gezamenlijk standpunt. Dát maakt het ook democratisch burgerschap.’ De verwachting was dat door samen te werken in groepen, ook de diversiteit tot uiting zou komen, maar afwijkende ideeën bleken soms toch snel van tafel te verdwijnen. ‘Je begint met een ideaalbeeld van leerlingen met originele en verschillende ideeën, maar dat viel wat tegen. Het blijkt dat ze daar niet zo makkelijk mee komen of voor opkomen. Misschien ook door de setting en onervarenheid hiermee. Ze zitten op school en zijn gewend aan een bepaald type vragen.’ Toch komen verschillen op deze wijze wel ter tafel. ‘Er wordt soms gevraagd hoe je nu diversiteit kunt organiseren in zogenaamd homogene klassen. Maar ook daar heb je verschillende denkbeelden en ervaringen. In zo'n groepje kom je daarmee in aanraking’.  

Bron benadrukt dat deze methode slechts onderdeel is van een palet en wil het niet groter maken dat het is. ‘Ga er flexibel mee om. Het is ook maar één aspect van burgerschap.’ Wat is er nog meer nodig voor goed burgerschapsonderwijs? Bron slaakt een diepe zucht. ‘Dat is een hele grote vraag.’ Na een stilte vervolgt hij toch: ‘Je zou er een vak van moeten maken in de onderbouw van het VO. Dat biedt meer houvast dan dat je afhankelijk bent van vakleerkrachten die er minder affiniteit mee hebben of er uiteindelijk onder tijdsdruk geen aandacht aan geven. Daarnaast moet er ook een schoolbrede aanpak zijn. Scholen moeten zich bewust worden van hun mogelijkheden, vanuit de overtuiging dat het waardevol is en relevant.’  

 

Jeroen Bron (1968) startte zijn carrière als leraar en werkt nu al ruim 20 jaar voor SLO. Hij coördineert hier maatschappelijke thema’s waaronder burgerschap, begeleidt het Ontwikkelteam Burgerschap van Curriculum.nu en is policy advisor in de campagne over democratische schoolcultuur bij de Raad van Europa. Op 26 november 2018 promoveerde hij aan de Universiteit voor Humanistiek.     

Naar boven

Deel |