Home / Dossiers / Casus: margedagen is zaak voor GMR 036 - 533 15 00
 

VOO Nieuwsbrief

Altijd op de hoogte van nieuws, ledenbijeenkomsten en activiteiten? Abonneer u op onze nieuwsbrief.

Casus: margedagen is zaak voor GMR

Op een school wordt aan ouders en personeel gevraagd naar de wensen en mogelijkheden om de onderwijstijd te veranderen. Na lang wikken en wegen wordt besloten de schooldagen te verlengen met 15 minuten. Voorwaarde is wel dat een verlengde meivakantie wordt mogelijk gemaakt. Bij het vaststellen van de margedagen wordt die verlenging van de meivakantie niet doorgevoerd. De oudergeleding van de MR (OMR) voelt zich bedrogen en stemt niet in met het voorstel tot wijziging van de onderwijstijd, waaronder de vaststelling van de margedagen valt.

De argumenten

De OMR wijst erop dat de ouders massaal hebben ingestemd met een verlenging van de schooldagen om mede daardoor een langere meivakantie mogelijk te maken. Zij zien een brief van de regionale directeur van hun scholengroep als een bewijs van die toezegging. Bovendien wijst de OMR erop dat op minstens twee andere scholen wordt afgeweken van het vakantierooster. Reden temeer om ook op deze school die afwijking mogelijk te maken, aldus de OMR.
Het bevoegd gezag geeft aan dat de regionale directeur niet bevoegd was uitspraken te doen over het vakantierooster, die afwijken van wat het bevoegd gezag vindt. Bovendien is de GMR het orgaan dat op voorstel van het bevoegd gezag het vakantierooster vaststelt. Doordat het rooster onder andere op alle personeelsleden van toepassing is, is er sprake van een schooloverstijgend gemeenschappelijk belang. Daardoor gaat niet de MR maar de GMR over een dergelijke zaak. Bovendien is bij vaststelling van het vakantierooster sprake van een adviesbevoegdheid in plaats van het nu voorliggende instemmingsgeschil.

De uitspraak

De Commissie is van oordeel dat een medezeggenschapsorgaan ervan uit mag gaan dat de vertegenwoordiger van het bevoegd gezag namens dat bevoegd gezag spreekt. Dat geldt in dit geval dus ook voor de uitingen van de regionale directeur waar de OMR op wijst. De Commissie vindt die uitingen echter minder stellig dan de OMR. Van een harde toezegging van een verlengde meivakantie is in de genoemde brief dan ook geen sprake aldus de Commissie. Aangezien de OMR geen onderwijsinhoudelijke bezwaren heeft tegen de vastgestelde margedagen stelt de Commissie dat de OMR geen overwegende argumenten had tegen het voorstel omtrent de vastgestelde margedagen.
Verder is de Commissie van mening dat de vakantieregeling een zaak is van gemeenschappelijk belang waarover de GMR adviseert en niet de MR. De Commissie is ten slotte van mening dat er overwegende argumenten waren om op twee scholen van het bevoegd gezag af te wijken van het vakantierooster. Daarmee wordt het gemeenschappelijke, schooloverstijgende belang van een vakantieregeling geen geweld aangedaan. Daardoor is de MR niet aan zet op dit punt.

Tekst Rein van Dijk, 14-12-2015

Naar boven

Deel |