Home / Medezeggenschap / Themabrief medezeggenschap / De juridische casus 036 - 533 15 00

VOO Nieuwsbrief

Altijd op de hoogte van nieuws, ledenbijeenkomsten en activiteiten? Abonneer u op onze nieuwsbrief.

De juridische casus

Auteur: Rein van Dijk


De casus

Twee bevoegde gezagen plannen een besturenfusie. In een vroegtijdig stadium worden de MR’en betrokken en geïnformeerd. Plannen worden bijgesteld en aangescherpt. Een van de MR’en onthoudt zijn instemming, waarna het bevoegd gezag van deze MR zijn voorstel wenst te handhaven. Daardoor ontstaat een instemmingsgeschil.

De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (LCG) is van mening dat de MR op tal van onderdelen van de fusievoorstellen zijn bezwaren niet aannemelijk heeft kunnen maken. Echter, het onvoldoende duidelijk maken van de personele gevolgen van de fusie alsmede de onvoldoende financiële informatie die de MR nodig heeft om tot een instemming te kunnen komen, zijn voor de LCG aanleiding om te oordelen dat de MR in redelijkheid zijn instemming met het voornemen tot fusie en de fusie-effect rapportage heeft kunnen onthouden.

De feiten

Het bevoegd gezag geeft aan dat hij de MR steeds en tijdig heeft geïnformeerd over de fusie en de aanleiding daartoe. De toekomstige structuur van de nieuwe rechtspersoon is inclusief de wijze waarop die zal worden geleid helder verwoord. De toekomstige omvang van de directie zal niet afwijken van de huidige. Wat betreft het personeelsbeleid streeft men naar werkgelegenheidsbeleid zoals dat in de CAO-PO is beschreven. Ook de vermogensrechtelijke positie van beide fusiepartners is voldoende duidelijk gemaakt aan de MR. Het bevoegd gezag heeft aangegeven deze gegevens te willen toelichten tijdens een overleg. Diverse documenten, waaronder de fusie-effect rapportage zijn op basis van overleg met de MR bijgesteld.

De MR is van mening dat de nieuwe taak- en bevoegdhedenverdeling onvoldoende duidelijk is uitgewerkt in een managementstatuut. De werkgelegenheid van onder andere de ambulante begeleiders kan als gevolg de invoering van passend onderwijs in het geding komen. Daarom dringt de MR aan op een voor iedere school aparte afvloeiingslijst na de fusie. Het toekomstige werkgelegenheidsbeleid zoals dat door het bevoegd gezag wordt aangeduid, biedt voor het personeel nu te weinig duidelijkheid. De MR mist verder een heldere relatie tussen het strategisch beleidsplan en de meerjarenbegroting. Overleg over de vragen hieromtrent bleek niet mogelijk. Tot slot geeft de MR aan dat het bevoegd gezag onvoldoende zwaarwegende omstandigheden heeft aangevoerd die het besluit tot fusie rechtvaardigen.

De uitspraak

Op diverse onderdelen van de bezwaren van de MR tegen de fusie oordeelt de LCG dat zij deze bezwaren onvoldoende acht om tot het onthouden van instemming te komen. Het gaat daarbij onder andere om de vermeende onduidelijkheid omtrent de bestuurlijke verhoudingen en de omvang van de directie van de scholen. In beide gevallen oordeelt de LCG dat de aangeboden stukken van het bevoegd gezag hiervoor voldoende duidelijkheid bieden. Het toekomstige RvT-model alsmede de handhaving van de huidige omvang van de directies bieden voldoende duidelijkheid. Ten aanzien van het geboden inzicht in de financiële en vermogenspositie oordeelt de LCG dat het bevoegd gezag weliswaar veel informatie heeft gegeven, maar dat deze informatie ontoegankelijk is gepresenteerd, zodat niet gesproken kan worden van deugdelijke informatievoorziening op grond van art. 8 WMS.
Ten aanzien van de onduidelijkheid omtrent de personele gevolgen van de fusie oordeelt de LCG dat het bevoegd gezag weliswaar werkgelegenheidsbeleid heeft beschreven voor de toekomst, maar dat nu de regeling ontslagbeleid onverkort van toepassing is. De gevolgen van dat beleid zijn onduidelijk. Met name de mogelijkheid om met twee afvloeiingslijsten te werken onder één bevoegd gezag zijn niet duidelijk geworden.


De LCG is dan ook van mening dat de MR in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen en voorts dat er geen sprake is van urgente belangen die ertoe zouden moeten leiden dat er geen tijd meer zou zijn die gebreken te helen.
 

 

Naar boven

Deel |